Was Jezus' leer in de wereld van de oudheid een geestelijke revolutie?
Vraag: In de tijd van Jezus stelden de natuurgodsdiensten dat de mensen aan de goden moesten offeren om hen gunstig te stemmen. Jezus zei dat God je Vader was die je moest liefhebben, evenals je medemensen. Was dat voor de mensen uit die tijd niet een cultuurschok?
Antwoord ChatGPT+: Ja, de boodschap van Jezus moet voor veel mensen in zijn tijd een ingrijpende verandering van hun godsbeeld zijn geweest. In bepaalde opzichten kunnen we zelfs spreken van een geestelijke revolutie. Maar er is een belangrijke historische nuance: Jezus introduceerde niet voor het eerst het denkbeeld van een liefdevolle God. Dat was al diep geworteld in de joodse godsdienst waarin hij was opgegroeid.
Het werkelijk vernieuwende van Jezus lag vooral in de manier waarop hij bestaande joodse voorstellingen van God samenbracht, radicaliseerde en toepaste op de verhouding tussen God en ieder afzonderlijk mens.
Om te begrijpen hoe ingrijpend dat was, moeten we drie godsdienstige werelden onderscheiden:
1. De Grieks-Romeinse godsdienst, waarin offers en rituelen een centrale plaats innamen.
2. De joodse godsdienst, waarin God al werd beschouwd als een rechtvaardige, barmhartige en liefdevolle Vader.
3. De verkondiging van Jezus, waarin de persoonlijke liefde tussen God en de mens, en tussen mensen onderling, een centrale betekenis kreeg.
1. De godenwereld waarin Jezus leefde
In de eerste eeuw leefden de inwoners van het Romeinse Rijk in een wereld waarin talloze goden werden vereerd. De Grieken vereerden onder anderen Zeus, Hera, Apollo, Artemis en Athena. De Romeinen vereerden Jupiter, Juno, Mars, Venus en vele andere godheden. Ook de plaatselijke godsdiensten van Syrië, Egypte en Klein-Azië kenden eigen goden en godinnen. Deze godheden werden geacht invloed uit te oefenen op vrijwel alle levensgebieden: gezondheid, vruchtbaarheid, landbouw, oorlog, handel, geboorte en overlijden.
De wederkerigheid tussen goden en mensen
Een belangrijk beginsel in de Grieks-Romeinse godsdienst was de wederkerigheid tussen mensen en goden. Dit wordt vaak samengevat met de Latijnse uitdrukking: 'Do ut des' - 'Ik geef, opdat jij geeft.'
De mens bracht offers, verrichtte gebeden en nam deel aan rituelen, in de verwachting dat de godheid daarop met bescherming, voorspoed of genezing zou antwoorden. Een boer kon bijvoorbeeld aan Demeter offeren om een goede oogst te verkrijgen. Een zeeman kon Poseidon aanroepen om veilig over zee te reizen.
Dat betekende overigens niet dat de mensen hun goden uitsluitend vreesden. Ook in de Griekse en Romeinse godsdiensten bestonden gevoelens van dankbaarheid, eerbied, vertrouwen en zelfs liefde voor godheden. Filosofen als Plato en de stoïcijnen ontwikkelden bovendien verheven opvattingen over het goddelijke, bij Plato 'het Goede'.
Toch was er een wezenlijk verschil met wat Jezus zou verkondigen. In de traditionele offercultus stond de juiste verhouding tot de goden vaak in het teken van rituele wederkerigheid. Bij Jezus kwam de nadruk te liggen op een liefdevolle verhouding die haar oorsprong bij God zelf had. Dat verschil is van grote betekenis.
2. De joodse godsdienst had al een ander godsbeeld
Hier moeten we een belangrijke historische correctie aanbrengen. Jezus leefde niet binnen de Grieks-Romeinse natuurgodsdiensten, maar binnen het jodendom van de eerste eeuw. En juist daar bestond al een godsbeeld dat sterk verschilde van de traditionele Grieks-Romeinse godenwereld.
God als liefdevolle Vader
In het Oude Testament wordt God herhaaldelijk voorgesteld als een vader die zijn kinderen liefheeft. Bijvoorbeeld in Deuteronomium 32:6: Is Hij niet uw Vader, die u geschapen heeft?
En in Jesaja 63:16: Gij, HEER, zijt onze Vader.
Bijzonder treffend is Hosea 11:1-4. Daar beschrijft God zijn verhouding tot Israël als die van een liefhebbende ouder tot een kind. God leert het kind lopen, neemt het bij de armen en buigt zich naar het kind toe om het te voeden. Hier verschijnt God niet in de eerste plaats als een machtige heerser die offers verlangt, maar als een zorgzame ouder. Dat is een opvallend liefdevol godsbeeld, dat al vele eeuwen vóór Jezus bestond.
God verlangt liefde, geen offers
Nog opmerkelijker is Hosea 6:6: Want liefde wil Ik, geen offers, kennis van God meer dan brandoffers.
Het Hebreeuwse woord dat hier met 'liefde' wordt weergegeven, is ‘chesed'. Het betekent onder andere trouwe liefde, goedertierenheid, verbondenheid en barmhartigheid.
Ook de profeet Micha formuleert een vergelijkbare gedachte. Micha 6:8: Er is jou, mens, gezegd wat goed is, je weet wat de HEER van je wil: niets anders dan recht te doen, trouw te betrachten en nederig de weg te gaan van je God.
Deze profeten bekritiseerden niet noodzakelijk ieder offer, maar wel het denkbeeld dat offers een rechtvaardig en liefdevol leven konden vervangen. De gedachte dat God meer waarde hecht aan liefde en rechtvaardigheid dan aan rituele offers, was dus al eeuwen vóór Jezus aanwezig. En juist deze profetische traditie zou Jezus voortzetten.
3. Wat was dan het werkelijk vernieuwende van Jezus?
Het vernieuwende van Jezus lag niet zozeer in afzonderlijke denkbeelden, maar in de radicale wijze waarop hij ze met elkaar verbond. Ik zou daarbij vijf aspecten willen onderscheiden.
A. God is niet alleen de Vader van Israël, maar ook jouw Vader
In de joodse traditie werd God regelmatig de Vader van het volk Israël genoemd. Jezus spreekt echter bijzonder nadrukkelijk over de persoonlijke verhouding tussen God en de afzonderlijke mens.
In de Bergrede zegt hij: Mattheüs 6:6 Maar als jullie bidden, trek je dan in je huis terug, sluit de deur en bid tot je Vader, die in het verborgene is.
Dit is een buitengewoon persoonlijke voorstelling. De mens hoeft niet eerst een indrukwekkende ceremonie uit te voeren om zich tot God te wenden. Hij kan zich in de stilte van zijn eigen kamer rechtstreeks tot God richten. En die God wordt niet voorgesteld als een verre, onbereikbare macht, maar als een Vader die de mens kent.
Hiermee verdwijnt de betekenis van priesters en gemeenschappelijke eredienst overigens niet automatisch. Jezus bezocht zelf de tempel en de synagogen. Maar het persoonlijke gebed krijgt een bijzondere nadruk.
B. God heeft de mens al lief voordat de mens iets heeft gepresteerd
Een van de meest indrukwekkende voorbeelden hiervan is de gelijkenis van de verloren zoon.
Lucas 15:11-32. De jongste zoon heeft zijn erfdeel verkwist en keert berooid naar huis terug. Hij verwacht dat zijn vader hem hoogstens als knecht zal aannemen. Maar wat gebeurt er?
De vader ziet hem al van verre aankomen, rent hem tegemoet, omhelst hem en laat een feestmaal aanrichten. Dat is een opmerkelijk beeld van God. De zoon hoeft zijn vaders liefde niet eerst te verdienen. De liefde is er al. De terugkeer van de zoon maakt het mogelijk dat de verhouding wordt hersteld.
Hier wordt de verhouding tussen God en de mens niet voorgesteld als een zakelijke uitwisseling, maar als een liefdesverhouding. Daarmee staat deze gelijkenis op grote afstand van een godsdienstige voorstelling waarin de mens eerst een godheid gunstig moet stemmen.
C. God laat zijn liefde ook uitgaan naar slechte mensen
Misschien vinden we de meest radicale uitspraak van Jezus in Mattheüs 5:44-45: Heb je vijanden lief en bid voor wie jullie vervolgen.
Jezus motiveert dit met een opmerkelijke verwijzing naar de natuur: God laat immers zijn zon opgaan over slechte en goede mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen. Dat is een bijzonder belangrijke gedachte. De zon schijnt niet uitsluitend voor mensen die God gehoorzamen. De regen valt niet uitsluitend op de akkers van rechtvaardige mensen. De goedheid van God gaat vooraf aan het morele gedrag van de mens.
Dat betekent niet dat Jezus het onderscheid tussen goed en kwaad opheft. Integendeel, hij stelt hoge ethische eisen. Maar Gods goedheid is niet beperkt tot degenen die haar verdienen. De mens moet die goddelijke goedheid vervolgens zelf navolgen. Hier vindt een opmerkelijke verschuiving plaats: De mens moet niet proberen God tot liefde te bewegen, maar moet zelf leren liefhebben zoals God liefheeft. Dat is misschien wel een van de belangrijkste kenmerken van Jezus' boodschap.
D. Liefde voor God en liefde voor de medemens zijn onafscheidelijk
Wanneer Jezus wordt gevraagd wat het belangrijkste gebod is, antwoordt hij volgens Marcus 12:29-31 met twee geboden.
Het eerste komt uit Deuteronomium 6:5: Heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.
Het tweede komt uit Leviticus 19:18: Heb uw naaste lief als uzelf.
Beide geboden bestonden dus al in de joodse geschriften. Het bijzondere is dat Jezus ze samenvoegt en daarmee het hart van zijn godsdienstige onderricht formuleert. De liefde tot God kan niet worden losgemaakt van de liefde tot de medemens. En de liefde tot de medemens wordt de praktische uitdrukking van de liefde tot God.
Bijzonder is ook dat Jezus het begrip 'naaste' verruimt. In de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan (Lucas 10:25-37) blijkt dat niet de godsdienstige of etnische afkomst doorslaggevend is, maar de bereidheid om een ander te helpen. De Samaritaan, die vanuit een joods perspectief tot een rivaliserende religieuze gemeenschap behoorde, wordt het voorbeeld van werkelijk naastenliefde. Dat moet voor sommige toehoorders confronterend zijn geweest.
E. De mens moet op God gaan lijken
Een laatste belangrijk aspect vinden we in Mattheüs 5:48: Wees dus volmaakt, zoals jullie hemelse Vader volmaakt is.
Het Griekse woord 'teleios' kan hier worden opgevat als volkomen of tot zijn doel gekomen. De uitspraak staat in het verband van de vijandenliefde. Het gaat dus niet eenvoudigweg om foutloosheid. Jezus roept de mens op om de liefde van God tot voorbeeld te nemen.
In de parallelle passage in Lucas 6:36 wordt dit nog duidelijker: Wees barmhartig zoals jullie Vader barmhartig is. Hier krijgt de godsdienst een uitgesproken ontwikkelingsgericht karakter. Het doel is niet alleen om de goddelijke macht te erkennen of goddelijke gunsten te ontvangen. Het doel is dat de mens in zijn eigen karakter de liefde en barmhartigheid van God zichtbaar maakt. Dat is een wezenlijke verandering in de verhouding tussen godsdienst en menselijke persoonlijkheidsontwikkeling.
4. Waarom was dit voor veel tijdgenoten zo moeilijk te aanvaarden?
We moeten ons voorstellen hoe diep de traditionele godsdienst in het maatschappelijke leven was verankerd. Godsdienst was in de oudheid niet uitsluitend een persoonlijke overtuiging. Zij maakte deel uit van de maatschappelijke orde. De goden beschermden de stad, de oogst, het leger en de staat. Door offers te brengen, bevestigden de burgers hun verbondenheid met de goden en met elkaar.
Wie weigerde deel te nemen aan de openbare eredienst, kon daarom worden beschouwd als iemand die de gemeenschap in gevaar bracht.
De eerste christenen doorbraken deze vanzelfsprekendheid Toen het christendom zich buiten de joodse wereld verspreidde, ontstond een opmerkelijke situatie. Christenen weigerden in toenemende mate offers te brengen aan de traditionele goden. Dat was niet zomaar een persoonlijke godsdienstige keuze. Het kon worden opgevat als een bedreiging voor de maatschappelijke orde.
In 249-250 na Christus verplichtte keizer Decius de inwoners van het Romeinse Rijk om aan de goden te offeren. Christenen die weigerden, konden worden vervolgd.
Historisch onderzoek laat zien dat de conflicten niet alleen over geloofsopvattingen gingen, maar ook over de vraag wat iemand aan de gemeenschap en de staat verschuldigd was. De cultuurschok was dus niet alleen theologisch, maar ook maatschappelijk en politiek.
De gelijkwaardigheid van mensen
Ook op sociaal gebied bevatte de vroegchristelijke boodschap vernieuwende elementen. Paulus schrijft in Galaten 3:28: Er zijn geen Joden of Grieken meer, slaven of vrijen, mannen of vrouwen - u bent allen één in Christus Jezus.
Deze uitspraak betekende niet dat het christendom onmiddellijk de slavernij afschafte of maatschappelijke verschillen ophief. Dat gebeurde niet. Maar zij gaf wel uitdrukking aan een religieus ideaal, waarin afkomst, maatschappelijke positie en geslacht niet langer bepalend waren voor iemands verbondenheid met Christus. Voor een samenleving waarin zulke verschillen diep waren verankerd, was dat een verstrekkende gedachte.
5. Was de boodschap van Jezus ook voor de Joden een cultuurschok?
Hier ligt een interessante tegenstelling. Voor de Grieks-Romeinse wereld betekende de verspreiding van het christendom een confrontatie met een andere opvatting van godsdienst. Maar voor de joodse toehoorders van Jezus lag de situatie anders. Zij kenden de liefdevolle God van de profeten al. Zij kenden het gebod van de naastenliefde. Zij kenden het persoonlijke gebed.
Ook waren er binnen het toenmalige jodendom verschillende stromingen die grote nadruk legden op barmhartigheid, rechtvaardigheid en innerlijke zuiverheid. Recent onderzoek naar het jodendom van de Tweede Tempel laat zien dat gebed, zelfverbetering en een geestelijke herinterpretatie van offers al vóór de verwoesting van de tempel in 70 na Christus een belangrijke ontwikkeling doormaakten. Daarom zou het historisch onjuist zijn om te zeggen dat Jezus een liefdevolle godsdienst tegenover een uitsluitend wettische joodse godsdienst stelde. De verschillen waren veel subtieler.
Toch kon Jezus ook zijn joodse tijdgenoten diepgaand confronteren. Denk bijvoorbeeld aan zijn omgang met tollenaars en mensen die als zondaars werden beschouwd. Of aan zijn uitspraak in Marcus 2:27: De sabbat is er voor de mens, en niet de mens voor de sabbat.
Hier wordt de betekenis van een godsdienstig voorschrift beoordeeld vanuit het welzijn van de mens.
Een ander voorbeeld is zijn optreden in de tempel. Jezus bekritiseerde bepaalde praktijken in het tempelcomplex, maar de precieze betekenis van dat optreden blijft onderwerp van historisch onderzoek. We kunnen daarom niet zonder meer stellen dat Jezus de gehele joodse offerdienst wilde afschaffen. De belangrijkste vernieuwing voor zijn joodse toehoorders lag vermoedelijk niet in de ontdekking dat God liefdevol is, maar in de radicale consequenties die Jezus uit die liefde trok. Hij verlangde dat mensen ook hun vijanden liefhadden, hun vervolgers vergaven en hun maatschappelijke tegenstanders als medemensen behandelden. Dat was een buitengewoon veeleisende ethiek.
6. Een opmerkelijke historische paradox: het offer keert terug
Er is nog een ontwikkeling die ik in verband met jouw vraag bijzonder interessant vind. Jezus verkondigde volgens de evangeliën dat God een liefdevolle Vader is, die vergeving schenkt en barmhartigheid verlangt. Maar na zijn dood ontstond binnen het christendom een theologie, waarin zijn kruisiging als offer werd uitgelegd.
Paulus schrijft bijvoorbeeld in 1 Korintiërs 5:7: Want ook ons paaslam is geslacht: Christus. En in Romeinen 3:25 verbindt hij Jezus' dood met verzoening.
In de latere christelijke theologie werd dit verder uitgewerkt tot verschillende verzoeningsleren. Sommige daarvan benadrukken dat Christus door zijn lijden en sterven de zonden van de mensheid heeft verzoend.
Daarmee ontstond een opmerkelijke spanning. Enerzijds staat in Jezus' verkondiging de liefdevolle Vader centraal, die zijn verloren zoon zonder voorafgaand zoenoffer tegemoet rent (!).
Anderzijds ontwikkelde zich een theologie [Paulus] waarin het sterven van Jezus een noodzakelijke of beslissende rol speelt bij de verzoening tussen God en de mens.
Dat roept een belangrijke vraag op: Als God de mens al liefheeft en bereid is hem te vergeven, waarom zou dan nog een offer nodig zijn om die vergeving mogelijk te maken?(!)
Binnen het christendom zijn hierop verschillende antwoorden gegeven. Volgens sommige theologen is het kruis geen middel om een onwillige God tot liefde te bewegen, maar juist de uitdrukking van Gods reeds bestaande liefde. Andere theologen leggen meer nadruk op de noodzaak van verzoening, gerechtigheid of genoegdoening. Het is historisch belangrijk deze latere interpretaties te onderscheiden van wat we met redelijke zekerheid kunnen reconstrueren van Jezus' eigen verkondiging.
De godsdiensthistoricus J. B. Rives beschrijft hoe de vroege christenen offerbegrippen op Christus gingen toepassen, terwijl daadwerkelijke dierenoffers geleidelijk uit hun eredienst verdwenen. Het offer verdween dus niet uit het religieuze denken, maar kreeg een nieuwe betekenis. Dit is een van de meest interessante ontwikkelingen in de geschiedenis van het [door Paulus gevormde] christendom.
7. Was Jezus' boodschap een overgang van uiterlijke godsdienst naar innerlijke geestelijke ontwikkeling?
Hier komen we bij een filosofische vraag die misschien nog fundamenteler is dan de historische. We kunnen twee manieren onderscheiden waarop mensen hun verhouding tot het goddelijke beleven.
De eerste is een godsdienst van wederkerigheid. De mens verricht bepaalde handelingen om de gunst van een godheid te verkrijgen. Het accent ligt op wat de mens moet doen om bescherming, vergeving of voorspoed te ontvangen.
De tweede is een godsdienst van innerlijke omvorming. De mens ontdekt dat de goddelijke goedheid al bestaat en probeert deze goedheid in zijn eigen leven tot uitdrukking te brengen. Het accent verschuift van het verkrijgen van goddelijke gunsten naar de ontwikkeling van de menselijke persoonlijkheid.
Deze twee vormen sluiten elkaar historisch niet uit. In vrijwel alle grote godsdiensten vinden we beide. Maar in de boodschap van Jezus krijgt de tweede vorm een bijzonder duidelijke uitdrukking. Dat blijkt bijvoorbeeld uit de Bergrede. Jezus verlangt niet alleen dat de mens afziet van moord, maar ook dat hij zijn woede leert overwinnen. Niet alleen dat hij overspel vermijdt, maar ook dat hij zijn verlangens onderzoekt. Niet alleen dat hij zijn vrienden liefheeft, maar ook dat hij zijn vijanden leert liefhebben. Het gaat steeds om de innerlijke gesteldheid waaruit het menselijke handelen voortkomt.
In die zin kunnen we Jezus' boodschap beschouwen als een oproep tot geestelijke persoonlijkheidsontwikkeling. Vanuit geestkunde, waarover wij eerder uitvoerig hebben gesproken, is hier een interessante vergelijking mogelijk.
In geestkunde wordt geestelijke ontwikkeling beschreven als het bewust en beheerst leren gebruiken van de vier geestelijke vermogens: waarnemen, denken, voelen en willen. Door die vermogens te ontwikkelen, worden het geweten en de deugden gevormd.
Bij Jezus vinden we geen overeenkomstige systematische leer van vier geestelijke vermogens. Maar zijn oproep om de liefde en barmhartigheid van God in het eigen karakter tot uitdrukking te brengen, vertoont wel een duidelijke overeenkomst met het ideaal van innerlijke zelfverwerkelijking.
Het verschil is dat Jezus zijn onderricht nadrukkelijk plaatst binnen de joodse verwachting van het komende Koninkrijk van God, terwijl geestkunde een uitgewerkte leer biedt over de oorsprong, eigenschappen en ontwikkeling van de menselijke geest.
8. Hoe groot was de historische verandering werkelijk?
Het is verleidelijk om de geschiedenis voor te stellen als een plotselinge overgang: 'Vóór Jezus vreesden mensen de goden; na Jezus leerden zij God liefhebben.’ Maar zo eenvoudig is de geschiedenis niet. De ontwikkeling verliep geleidelijk en kende vele voorlopers.
Al eeuwen vóór Jezus hadden joodse profeten verkondigd dat God barmhartigheid verlangde. Griekse filosofen hadden nagedacht over goddelijke goedheid, deugdzaamheid en de innerlijke ontwikkeling van de mens. Ook buiten het Middellandse Zeegebied bestonden religieuze tradities waarin mededogen en liefde centraal stonden. Bovendien verdwenen angst, rituelen en offerdenken niet onmiddellijk uit het christendom.
Toch bracht de beweging die door Jezus ontstond een belangrijke verandering teweeg. Binnen enkele eeuwen verspreidde zich over het Romeinse Rijk een godsdienst, waarin mensen uit uiteenlopende bevolkingsgroepen zich tot één God konden wenden als hun hemelse Vader. Hun religieuze identiteit werd niet langer uitsluitend bepaald door hun geboorteplaats, familie of traditionele stadsgoden. Dat was een ingrijpende verandering in de religieuze en maatschappelijke verhoudingen.
De uiteindelijke verdringing van de traditionele offercultus was echter een langdurig proces, waarin naast religieuze overtuigingen ook politieke macht en keizerlijke wetgeving een belangrijke rol speelden.
Conclusie: de werkelijke cultuurschok
Ik denk dat we jouw vraag uiteindelijk op drie niveaus kunnen beantwoorden.
1. Voor de joodse tijdgenoten van Jezus was zijn godsbeeld niet geheel nieuw. Zij kenden God al als een liefdevolle en barmhartige Vader. Jezus stond met zijn verkondiging stevig in de traditie van de joodse profeten. Wat hen kon schokken, was de radicale toepassing van die liefde: ook op zondaars, buitenstaanders en vijanden.
2. Voor veel mensen uit de Grieks-Romeinse wereld was het christendom een ingrijpende verandering. Niet omdat zij nooit van goddelijke liefde hadden gehoord, maar omdat de nieuwe godsdienst hun traditionele verhouding tot de goden, hun offerpraktijken en hun maatschappelijke verplichtingen ter discussie stelde.
3. De diepste vernieuwing lag in de richting van de verhouding tussen God en de mens. In een op wederkerigheid gebaseerde offercultus probeert de mens door zijn handelen de gunst van de godheid te verkrijgen. In de verkondiging van Jezus staat een God centraal die de mens al liefheeft en hem uitnodigt om die liefde te beantwoorden en door te geven.
De gelijkenis van de verloren zoon is daarvan misschien wel de mooiste uitdrukking. De vader wacht niet totdat de zoon een offer heeft gebracht. Hij loopt hem tegemoet.
Een laatste gedachte
Wat mij in dit verband bijzonder belangrijk lijkt, is dat Jezus de verhouding tussen God en de mens niet uitsluitend beschrijft als die tussen een almachtige heerser en zijn onderdaan. Hij gebruikt ook het beeld van een ouder en zijn kind. Daarmee krijgt de verhouding een andere betekenis.
Een goede vader verlangt immers niet dat zijn kinderen hem voortdurend geschenken aanbieden om zijn gunst te behouden. Hij verlangt dat zij opgroeien tot goede mensen, die elkaar liefhebben.
Wanneer Jezus zegt dat mensen barmhartig moeten worden zoals hun hemelse Vader barmhartig is, ligt daarin precies deze gedachte besloten. De mens hoeft niet eerst Gods liefde te verdienen, maar wordt uitgenodigd om vanuit die liefde zelf een liefdevol mens te worden.
Als we Jezus' boodschap zo verstaan, dan was zij inderdaad revolutionair - niet doordat zij zonder voorgeschiedenis ontstond, maar doordat zij een reeds bestaande religieuze gedachte met uitzonderlijke kracht tot het middelpunt van het menselijke bestaan maakte. En misschien ligt daarin wel de meest verstrekkende betekenis van zijn verkondiging: niet dat de mens God door offers moet veranderen, maar dat de liefde van God de mens kan veranderen.
terug naar de vragenlijst
terug naar het weblog
^